Een goede bioveiligheid is van belang om zo veel mogelijk te voorkomen dat ziekteverwekkers die dierziekten en zoönosen kunnen veroorzaken bij bedrijven met gehouden dieren kunnen binnendringen waardoor dieren en mensen ziek kunnen worden en waarbij mogelijk ook antimicrobiële middelen moeten worden toegepast. Daarbij vormt het ook een barrière voor het ontsnappen van voor de buitenwereld ongewenste ziekteverwekkers vanuit het bedrijf. Het is belangrijk om kritisch te zijn op bioveiligheid en dit te blijven optimaliseren. Via een bioveiligheidsplan (BVP) kan dit bestendigd worden.
Op grond van Europese regelgeving is een veehouder verplicht om adequate maatregelen te nemen om insleep van ziekteverwekkers te voorkomen door middel van een adequate bioveiligheid. Deze regeling is een nationale invulling van een bestaande Europese verplichting. Met deze regeling worden commerciële pluimveehouders verplicht tot het in kaart brengen van maatregelen ter bescherming van de bioveiligheid middels het BVP. Het voornemen is om in de toekomst het bioveiligheidsplan ook uit te breiden naar andere sectoren binnen de veehouderij.
Bioveiligheidsplan is onderdeel van bedrijfsgezondheidsplan
Het BVP wordt een onderdeel van het bedrijfsgezondheidsplan (BGP). De verplichting om een BGP op te stellen gaat gelden voor alle commerciële pluimveehouderijen met hoenderachtigen, eenden of ganzen. Pluimveehouders die eerder niet verplicht waren om een BGP op te stellen zijn nu verplicht om een BGP op te stellen met het BVP als enig onderdeel.
Opstellen, inhoud en evaluatie
Het BVP moet voor 1 januari 2026 samen met de dierenarts opgesteld worden en jaarlijks worden geëvalueerd. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de hygiënescan. Het BVP moet ingaan op de getroffen en te nemen bioveiligheidsmaatregelen met betrekking tot:
- Hygiënezones;
- Plaagdieren en wilde vogels;
- Bezoekers en personeel;
- Voertuigen en materialen;
- Aan- en afvoer van dieren, mest en kadavers;
- Reiniging en desinfectie van het bedrijfsterrein, stallen en inventaris;
- In het geval dat de houder eieren produceert: gebruikt materiaal, ruimtes, reiniging en desinfectie;
- Uitloop van pluimvee; en;
- Andere risico’s voor de bioveiligheid en zoönosen met betrekking tot het bedrijf of de bedrijfsvoering.